Home
  Behandeling
  Onderzoek
  Nieuw
Protocollen
  Staf
  Afspraken
  Links
HagaZiekenhuis
Protocollen >> Guillain-Barré syndroom

De volgende punten worden hier besproken:

Introductie
Synoniem: acute inflammatoire demyeliniserende polyneuropathie (AIDP). Het syndroom van Guillain Barré is een zeldzame (sub)acute immuun gemedieerde ontsteking van de perifere zenuwen. De ziekte moet beschouwd worden als een neurologische emergency. Incidentie ligt rond 0.8-2.0/100.000, man>vrouw, geen seizoensinvloed.

 Terug naar boven

Symptomatologie
In 60% ontstaan de symptomen na een respiratoire (EBV, CMV) of gastro-intestinale (Campylobacter jejuni) infectie. Hierop ontstaat een paraesthesieën in handen en voeten, maar ook hevige rugpijn kan de eerste klacht zijn; het belangrijkste symptoom is vervolgens symmetrisch progressief krachtsverlies, meestal begint dit in de bovenbenen (moeite met traplopen) met uitbreiding naar bovenarmen, schoudergordel en vervolgens distale musculatuur. De ziekte bereikt een piek in enkele dagen tot 2 weken. Een tetraplegie kan het gevolg zijn. Areflexie is (bijna) altijd aanwezig. Bij ongeveer 20% ontstaat een respiratoire insufficiëntie t.g.v. spierzwakte van de ademhalingsspieren waardoor patiënten beademd moeten worden op de intensive care. Dubbelzijdige nervus facialis parese komt in de helft van de gevallen voor en is een kenmerkend symptoom voor GBS (dit komt voor in andere neuropathieën, cave ziekte van Lyme). Ook andere hersenzenuwen kunnen betrokken raken in een later stadium. Na deze progressieve fase komt de patiënt in een plateau fase. Met name in deze fase komen stoornissen van het autonoom zenuwstelsel voor: sinus tachycardie of bradycardie, hypo- of hypertensie, en flushing. Deze afwijkingen duren bijna nooit langer dan 1-2 weken. Urineretentie komt voor in 15% van de patiënten. Na de plateau fase treedt de herstelfase in. Ernstige uitstralende pijn in de ledematen is een belangrijk probleem bij 50% van de patiënten tijdens deze herstelfase. In veel gevallen is de ziekte self-limmiting; echter slechts 15% geneest restloos. De mortaliteit ligt rond de 10%. Na 6 maanden is 20% niet in staat zelfstandig te lopen. Prognostisch factoren voor een slecht herstel: ernstig beloop in de acute fase, leeftijd > 50, voorafgaande diarree. Bij de meeste patiënten treedt de bovenstaande ascenderende vorm op. Een variant van het GBS is het syndroom van Miller-Fischer. Dit syndroom wordt gekenmerkt door: externe ophtalmoplegie, ataxie en areflexie bij slechts geringe spierzwakte. Dit syndroom komt voor bij 5% van de patiënten.

Tabel 6.1: Diagnostische criteria voor het klassieke Guillain-Barré syndroom

Aard Kenmerk betreft
Noodzakelijk progressieve spierzwakte en areflexie
Ondersteunend progressie van symptomen over dagen tot 4 weken ; relatieve symmetrie ; weinig of geen sensibele stoornissen ; hersenzenuwuitval, met name bilaterale zwakte van de aangezichtsspieren (bij ca. 60%) ; herstel 2-4 weken na dieptepunt ; autonome dysfunctie ; geen koorts bij het begin van de ziekte

Atypisch verlopend GBS
Atypisch verlopende GBS wordt gekenmerkt door symptomen zoals aangegeven in tabel 6.2.

Tabel 6.2: Atypisch verlopende GBS: kenmerken

- duidelijk asymmetrische spierzwakte
- voornamelijk of uitsluitend sensibele afwijkingen
- uitsluitend motore afwijkingen
- ernstige ataxie
- uitsluitend hersenzenuwuitval
- pijn staat op voorgrond
- voornamelijk respiratoire insufficiëntie
- evidente blaas- of darmdysfunctie bij het begin van de aandoening
- (hoge) koorts
- huidafwijkingen

Bij een atypisch beloop van de klachten is er een indicatie voor uitgebreid aanvullend onderzoek zoals beeldvorming hersenen/ruggenmerg, uitgebreid lab. onderzoek, spier- en/of zenuwbiopsie.

 Terug naar boven

Aanvullend onderzoek

Aanvullend onderzoek bij verdenking GBS

Liquor "dissociation albuminocytologique" : totaal eiwit: > 0.55g/l bij 65% verhoogd tijdens 1e week bij 85% verhoogd in 2e en 3e week
  cellen: meestal < 10/3 cellen (tot 150/3 kan maar denk dan ook aan Lyme, HIV of andere infectie)
ECG  
X-thorax  
Serologie Epstein-Barr virus, mycoplasma pneumoniae, cytomegalovirus, Campylobacter, Lyme
Faeceskweek bij diarree: Campylobacter jejuni, Salmonella, Shigella, Yersinia
Elektromyografie aanwijzingen voor demyelinisatie bij ca. 50% tijdens de eerste twee weken en bij ca. 85% tijdens 3de week. Geleidingsblokkades bij ca. 30% binnen twee weken. Bij veel patiënten zijn er tussen de 2e en 4e week axonale afwijkingen

 Terug naar boven

Behandeling
Algemene behandeling aangegeven in Tabel 6.4.


Tabel 6.4: Behandeling GBS

- patiënt altijd opnemen op de afdeling (in principe minimaal 2 weken)
- bewaking ademhaling d.m.v. meten geforceerde vitale capaciteit met de spirometer in acute stadium. 1 uur (arteriële bloedgassen blijven zeer lang normaal, en kunnen plots verslechteren!)
- controle pols, tensie, temperatuur

Indicatie voor opname op de IC
1. bij nasale spraak, moeite met slikken en/of uitsteken van de tong
2. vitale capaciteit < dan 20 ml/kg [gemeten m.b.v. spirometer]
3. hartritme-stoornissen, tensieschommelingen (deze laatste kunnen soms voorafgaan aan levensbedreigende hartritme-stoornissen)

Indicatie ventilatoire ondersteuning
Patiënt in 45 graden anti-Trendelenburg (hoofd omhoog), niets per os en infuus. Controleer patiënt op aanwezigheid van:

  • dyspneu
  • ademfrequentie. Normaal 12-16/min. Dreigende respiratoire insufficiëntie indien groter dan 30/min.
  • gebruik hulpademhalingsspieren en/of oppervlakkige ademhaling
  • paradoxale ademhaling
  • polsfrequentie. Gevaar indien 120/min
  • zuurstofsaturatie. Gevaar indien < 90%
  • meting Vitale Capaciteit elk uur; Gevaar indien VC < 1.5 liter (mannen) of < 1.2 liter (vrouwen)

De respiratoire insufficiëntie, waarvoor een beademingsindicatie bestaat, is een klinische diagnose, ondersteund door bloedgasanalyse! Het klinisch beeld van een dreigende respiratoire insufficiëntie is progressieve dyspneu, uitputting ademhalingsmusculatuur, al dan niet met een wisselend bewustzijn. Frequente saturatie dips en een verhoogd pCO2 (meer dan 80 mm Hg of 10.5 kPa) ondersteunen de beademingsindicatie. Bij beademing langer dan 10 dagen tracheostoma overwegen.

 Terug naar boven

Indicatie circulatoire ondersteuning
Tijdens het ontwikkelen van de parese, gedurende de eerste dagen, kunnen tensiewisselingen en hartritmestoornissen optreden. Met name tijdens verzorging, uitzuigen, Valsalva manoeuvre kunnen ernstige bradycardieën geobserveerd worden. De behandeling van bradycardieën is in de eerste instantie een tijdelijke pacemaker. Tensieschommelingen zijn met inotropica moeilijk behandelbaar ten gevolge van hypersensitiviteit van de ß-receptoren kan een hypertensieve crisis optreden bij lage doses inotropica. Het advies is in eerste instantie aanpassen van de lighouding: anti-Trendelenburg.

 Terug naar boven

Ondersteunende maatregelen
Zie Tabel 6.5.

Ondersteunende maatregelen.

- bedrust (i.v.m. mogelijke laederen van zenuwen bij snel mobiliseren)
- fysiotherapie: beperkt tot passief oefenen
- Fraxiparine® 2850 IE (= 0,3 ml) subcutaan ter voorkoming trombose
- therapie bij autonome verschijnselen is vaak niet nodig of symptomatisch: - overloopblaas: catheter a demeure - darmatonie: niets per os, maagsonde, lactulose 3 dd 15 cc, clysma's
- hypotensie: bed in Trendelenburg (hoofd naar beneden), kolf haemacel en evt.dopamine na overleg internist. De kans op hypotensie vermindert sterk op het moment dat patiënt weer kan lopen. Dus nog wel RR-bewaking bij zit en sta-fase
- hypertensie: in principe niet behandelen, evt. Adalat 10 mg
- tachycardie: evt. digitaliseren i.o.m. cardioloog
- bradycardie: atropine en evt. pacemaker i.o.m. cardioloog
- hevige pijnklachten in de herstelfase kunnen bestreden worden met opiaten in combinatie met carbamazepine

a). cave hypersensibiliteit voor bloeddrukregulerende medicatie, dus bij voorkeur kortwerkende medicatie

 Terug naar boven

Immunotherapie
Indicatie: 1. als patiënt zelfstandig < 10 meter kan lopen en 2. binnen twee weken na begin van symptomen. Intraveneus immunoglobuline (IvIg) 0,4 gram per kg lichaamsgewicht per dag. Duur: 5 dagen. Als de patiënt, na een aanvankelijke stabilisatie c.q. verbetering, 1-2 weken na het starten van IvIg verslechtert, is een tweede behandeling met IvIg zinvol. Ook bij ontbreken van een initieel effect kan herhalen van IvIg worden overwogen. Bedenk wel dat het effect van IvIg soms pas na een week duidelijk wordt. Indien er een contra-indicatie is voor IvIgs (bekende overgevoeligheid voor bloedproducten en/of selectieve Ig-A deficiëntie kan plasmaferese overwogen worden. Dit geldt ook indien er verdere achteruitgang tijdens of vlak na therapie met IvIg optreedt.

DD. GBS (> 6 weken)
- Difterie
- Toxische polyneuropathie
- Myasthenia Gravis

Literatuur
[1] Asbury AK, Cornblath DR. Assesment of current diagnostic criteria for Guillain Barré? syndrome. Ann Neur 27(suppl): S21-24, 1990 .
[2] Ropper AH: The Guillain Barré syndrome. New England Journal of Medicine. 326:1130, 1992 .
[3] Hahn AF: Guillain-Barré syndrome. Lancet; 352: 635-41, 1998.
[4] Tripathi M, Kaushik S. Cabamazepine for pain management in Guillain-Barré? syndrome patients in the intensive care unit. Crit Care Med; Vol.28, No 3: 655-658, 2000.

Onderwerpen:

NeuroAIDS
Beroerte
Dementie
Overlijden, weefsel en orgaandonatie
Epilepsie
Guillain-Barré Syndroom
Hoofdpijn
Infecties van het centraal zenuwstelsel
Neuroborreliose
Multipele Sclerose
Myasthenia Gravis
Myasthenia Organigram
Radiculaire prikkeling en syndromen
Neuro-oncologie
Subarachnoïdale bloeding
Cerebraal veneuze trombose (CVT)
Neurotraumatologie
Parkinsonisme
Polyneuropathieën
Mononeuropathieën
Neurologie voor Internisten
Lumbosacraal radiculair syndroom

 Terug naar boven
Webmaster: DLJ Tavy, neuroloog, mail to DLJ Tavy. Aan de inhoud van deze site kunnen geen rechten worden ontleend. Copyright © 2004 Ziekenhuis Leyenburg. Den Haag.